Dieren hebben de behoefte om in een eigen gemeenschap te leven, binnen een eigen natuurlijke ordening en hiërarchie. Herkenning van soortgenoten en soorteigen gedrag is van essentieel belang voor het ontwikkelen van een soorteigen identiteit. Het betreft onder andere voorbeeldgedrag van oudere dieren, zoals de wijze en maat van bewegen, de wijze van staan en liggedrag. Het betreft de fysieke gerichtheid van aandacht geven aan, maar ook het type kijkgedrag. Het betreft voedselherkenning en voedselvoorkeuren, de wijze van voedselinname en voedselvertering en wat dit vraagt aan het fysieke zijn. Het betreft herkenning van een natuurlijke structuur in de slaap- en rustbehoeften, herkenning van paargedrag en hoe ze zich behaaglijk kunnen gedragen en voelen. Sociale gemeenschappen hebben een natuurlijke leeftijdsopbouw en een min of meer gelijke verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke dieren, waarbij de individuele dieren in staat zijn elkaar te herkennen.
Gemeenschapszin bij runderen
Runderen zijn echte kuddedieren en gedijen in een hiërarchie. Leeftijd en de tijd die een koe in de kudde verblijft spelen daarbij een belangrijke rol. De afmetingen van hun hoorns zijn ook van invloed, hoe groter hoe hoger de rang. Via kop-kop-confrontaties bevestigen ze de rangorde. Onthoornde koeien kunnen dat niet. Voor hun positiebepaling maken ze gebruik van scheppende bewegingen van hun kop in de buik en hals van soortgenoten. Onderlinge relaties bevestigen ze door elkaar te likken, maar ook door afstand te creëren via dreigen of elkaar ontwijken. Naarmate ze ouder worden zijn ze van grotere betekenis voor de kudde en het jongere vee. Ze zorgen dan voor continuïteit door overdracht van kennis en ervaring. Een stabiele sociale structuur voorkomt conflicten binnen de kudde. Helaas komt het steeds minder voor dat er nog oudere dieren in de kudde zijn. Koeien sluiten met anderen vriendschappen voor het leven, maatjes met wie ze graag samen grazen of rusten, en de moeder-kindband (band tussen koe en kalf) is sterk.
De sociale rangorde binnen een kudde is vaak gedurende langere tijd stabiel. Bij een hechte sociale band gaan ze zelfs op natuurlijke wijze synchroon gedrag vertonen, gelijktijdig grazen, herkauwen en rusten. Ze houden er niet van beurtelings te moeten eten en om een voerplek te moeten vechten. In de wei gaat dat vanzelf goed, dan lopen ze met zijn allen op gepaste afstand grazend op. In de stal is dat anders als er te weinig voerplekken zijn. Een dier dat hoger in rang is duldt geen ondergeschikte naast zich, ook niet wanneer er een voerplek vrij is. Dat geldt ook voor rustplekken. Daarom is het belangrijk dat er in de stal meer dan voldoende loopruimte, ontsnappingsroute, ligruimte en voerruimte is, ook voor de lagere rangen.
Runderen kennen tot op zeker hoogte familiezin, maar wanneer zij met velen opeengepakt zijn in een te kleine ruimte gaat die familiezin verloren en daarmee ook het gevoel van geborgenheid. Er ontstaat matheid in hun gedragingen en verbinding onderling floreert niet langer.
Marieke de Vrij: Zo’n 45 medekoeien kunnen elkaar nog makkelijk herkennen als individuen waar ze als individu mee in verbinding kan staan. Bij een veel grotere groep wordt het rund confuser in contactlegging en is de sociale rangorde ook minder hanteerbaar. Dan gehoorzamen ze daar nog wel aan, maar minder sterk. Er is dan nog wel een logische volgorde, maar die is als het ware een afzwakking van hun sociale structuur.
Een groep dieren bij elkaar is nog niet perse een stabiele kudde. Je kan pas spreken van een sociale stabiele kudde als ‘aanvallen, verjagen en vluchten’ is vervangen door ‘dreigen en uitwijken’ en dit zo blijft. Een echte natuurlijke kudde bestaat uit koeien, kalveren, jongvee en een stier. Praktijkonderzoek geeft aan dat 50 tot 70 dieren het maximum is.
Gemeenschapszin bij varkens
Een varken is een sociaal dier en niet graag alleen. Binnen de groep, ook wel toom genaamd, wordt de rangorde hoofdzakelijk bepaald door de leeftijd. Er is van nature een sterke hiërarchie. De sociale organisatie van wilde varkens in de natuur, ook wel een rotte genoemd, wordt gekenmerkt door familiegroepen die bestaan uit meerdere generaties verwante zeugen met hun biggen. Beren horen niet tot de familiegroep maar leven eerst in een vrijgezellengroep totdat ze helemaal volwassen zijn en alleen gaan leven. Een varken is in staat om 20 tot 30 andere volwassen varkens binnen de groep te herkennen.
Gemeenschapszin bij kippen
Kippen zijn sociale dieren die van nature in kleine groepjes leven, een haan met enkele hennen en eventueel kuikens. Er is een duidelijke rangorde in de toom, de pikorde.
Een kip zoekt regelmatig contact met de andere kippen. Vooral als er graan ligt willen ze er allemaal ‘als de kippen bij zijn’ en om die reden kunnen ze dan even hun eigen territorium loslaten. Als ze maar weten dat ze daarna weer hun eigen bewegingsruimte kunnen opzoeken. Specifieke begroeiing op het erf of in de buitenren, zoals bomen, struiken en vaste vegetatie, draagt bij aan het zich thuis voelen in hun territorium, daardoor versterkt hun eigenheid en het voorkomt onderling stressgedrag. Hoe groter de buitenruimte en hoe meer begroeiing er aanwezig is, des te meer wordt het onderlinge gedrag gestroomlijnd. Zo ontstaan er binnen de grote groep meerdere subgroepen met een eigen groepsbeleving, waarin ook enige oudere kippen hun plaats kunnen innemen. Als een roedel groter wordt dan 30 tot 40 kippen kunnen ze elkaar niet meer individueel herkennen en valt de pikorde weg.
Gemeenschapszin bij geiten
Geiten zijn zeer sociale kuddedieren die een sterke onderlinge band hebben. Ze raken gestrest als ze alleen zijn. Ze communiceren voortdurend via gemekker, herkennen elkaars emoties en zoeken fysieke nabijheid om warm en veilig te blijven. De hiërarchie wordt bepaald met milde kopstoten en duwgedrag.
Herkenning van soortgenoten en soorteigen gedrag is van essentieel belang voor het ontwikkelen van een soorteigen identiteit.