In wezen is de koe vanzelfsprekend afgestemd op haar natuurlijke omgeving. De koe heeft een energetisch aanvoelingsvermogen ontwikkeld, waarmee zij de beperking van haar omgeving kan inschatten en ook de weidsheid van de ruimte die zij mag belopen. Dat houdt in dat je bij koeien in het algemeen geen opstandig gedrag kan verwachten in de zin van uitbreken uit de stal of wei. Het kan wel zijn dat zij grote aanpassingsmoeilijkheden hebben als de ruimte te beperkt is, omdat zij zich gedragsmatig moeten aanpassen, tegen de eigen wil in.

Een koe wil andere koeien vergezellen, maar er niet in opgaan. Met andere woorden, zij is wel meebewegend met anderen, maar niet ten koste van haar eigen wezen. Zij blijft dus ergens een solist. Zij kan samengaan, maar zij kan niet inleveren, dat past niet bij haar innerlijke structuur.

Het is een volgzaam, gehoorzaam dier, dat zich makkelijk, ritmegevoelig beweegt als andere koeien met haar oplopen. Als het haar aangeleerd wordt om zich bijvoorbeeld in een bepaalde formatie aan te melden om gemolken te worden, dan pakt zij dit na een aantal keren vrijwillig op en doet dat dan als vanzelfsprekend. Dat is vrij ongewoon in dierengedrag. Een koe kun je dat aanleren.

De koe is een dier dat een grote behoefte heeft aan heel veel ruimte boven haar lijf. Zij wil vrije lucht ervaren. Voor haar is het beklemmend om heel dicht boven haar hoofd een begrenzing te vinden. Veel andere dieren hebben daar minder moeite mee. Een koe zoekt niet snel beschutting als het afdak te laag is. Zij heeft behoefte aan ruimte tussen het bovenlichaam en dat wat daarboven is, liefst vrije lucht. Runderen houden van schommelend bewegen en willen daarom ook in het horizontale vlak voldoende ruimte hebben voor dat gedrag.

Koeien houden ervan om te turen. Turen is een genoegzame gesteldheid, zeker als zij zich verbonden weten met de anderen in hun omgeving, zonder direct contact te behoeven, maar toch hun aanwezigheid indirect te voelen. Vanuit afzondering verbonden de ruimte in te kijken, zonder dat ze wat hoeven. Dat alles past heel erg bij de gesteldheid van de koe.

Ze houden er ook van om tijdens het liggen de huid aaiend te prikkelen door met de onderbuik schurend over grassen en planten heen te gaan.

Gekriebeld worden door insecten vinden ze ook aangenaam. Het wiebelen met het hoofd, omdat er bijvoorbeeld vliegen achter het gebied bij de oren zitten, vinden ze lang niet altijd vervelend zolang de nek soepel kan bewegen. Een overmaat aan prikkels maakt wel haar wel moe.

Koeien houden niet van overhaast eten en drinken. Water nemen ze slurpend op. Smakken en het voer deels kwijlend uit hun bek laten druipen tijdens het eten is echt een genoegen. Als ze te overhaast moeten eten, en niet rustig de smaak van het voer meermalen door hun mond mogen laten gaan, is de voedselopname niet genotvol. Ze willen in herhaling proeven én kwijlen én geluid maken tijdens het eten.

Koeien zijn er dol op om vloeiende waterstromen te beluisteren en houden van glooiende landschappen. Ze vinden wolkenpartijen die voorbijtrekken uiterst boeiend van aard en het geeft de beleving mee te mogen deinen in de natuuraard waarbinnen zij zich bevinden. Dat is ontluchtend voor spanningen.

Samenvattend, de koe vindt haar intrinsieke waarde of eigenwaarde in haar ruimtelijke afstemming op de omgeving, haar meegaandheid met andere koeien (zonder verlies van zelfbehoud), haar vrijwillige volgzaamheid, haar noodzaak tot ruimte boven en naast zich, haar sterke bewustzijn van soortgenoten, haar genieten van aanraking en eten, en de eenwording met de natuur om zich heen