Elk dier heeft de behoefte aan het uiten van zijn natuurlijke evolutiedrang. Die komt voort uit de soort zelf, om in vrijheid zichzelf en zijn eigen aard te kunnen ervaren en voort te zetten binnen de soorteigenheid, met behoud van specifieke ras-identiteit. In de ras-identiteit ligt de oorspronkelijke weergave van de scheppingskracht die het dier eigen is. Vermenging van rassen op basis van natuurlijke paring is evolutionair voorbehouden. Wanneer door menselijk ingrijpen dit onnatuurlijk gestimuleerd wordt degradeert de ras-identiteit. Elke diersoort creëert steeds zijn eigen nieuwe generaties. Daarmee wordt voortgebouwd op datgene wat vorige generaties hebben ontwikkeld.  Dierenrassen en soorten ontwikkelen zich op basis van hetgeen ze genetisch in zich hebben en in relatie tot de veranderende omstandigheden.

Koeienrassen

Vanouds had iedere regio in Nederland, maar ook in Europa, zijn eigen specifieke koeienras, een ras met een eigen ontstaansgeschiedenis, uiterlijk, karakter en gebruik. In Groningen had je de Groninger Blaarkop, in het rivierengebied en Brabant de rood-wit gekleurde MRIJ-koe (Maas Rijn IJssel), de Lakenvelder met een witte band over het middel in Midden-Nederland en de Fries-Hollandse koe in de noordelijke en westelijke provincies. Ieder ras had zich in de loop der tijd aangepast aan de specifieke regionale situatie, het microklimaat aldaar, de grondsoort, de vóórkomende voedergewassen en natuurlijke immuniteit. Kortom, op de ideale lokale omstandigheden. De meeste rassen gaven melk én vlees, hadden een dubbel doel. Veel rassen worden met uitsterven bedreigd omdat ze niet meer voldoen aan de huidige maatschappelijke eisen. Alleen hobbyboeren en speciale verenigingen zetten zich nog in om de verschillende rassen in hun zuivere raskenmerken te behouden.

Evolutiedrang

Evolutiedrang komt voort uit de instinctieve hang naar behoud van de soort. De diersoort en dierenrassen passen zich aan veranderingen aan. Binnen klimaat- en omgevingswisselingen tracht de soort en het ras zich stabiel te houden. In overgangsfasen past die zich aan door bijvoorbeeld vermindering of vermeerdering van de haargroei, snavels die krommer of scherper worden, verandering van de oogstand en van het beenderengestel. Maar ook het al dan niet leerachtig zijn van de huidstructuren, met name de huidplooien, zijn veel voorkomende veranderingen die evolutionair binnen een soort kunnen plaatsvinden. 

De mens belemmert de natuurlijke evolutiedrang van de dieren door in te grijpen en wezenlijke veranderingen aan te brengen, onder andere door eenzijdige selectie op productiekenmerken en door genetische manipulatie. Dit leidt tot het levensmoe worden van de landbouwdieren.

Marieke de Vrij: Wanneer dieren belemmerd worden om zich evolutionair te ontwikkelen komt de stabiliteit van de soort in het gedrang. Sterker nog, momenteel worden diersoorten vaak vanuit economische en commerciële afwegingen aangepast aan de behoeften van de mens, zonder rekening te houden met hun omgevingsbehoeften. Vroeger wisten boeren precies welke rassen het beste aangepast waren aan de natuurlijke omstandigheden van hun eigen regio. Tegenwoordig worden de omstandigheden aangepast aan hoogproductieve rassen (voor zover mogelijk) en worden oorspronkelijke rassen, die aangepast waren aan regionale omstandigheden, met uitsterven bedreigd.

De hypothese van Charles Darwin dat evolutie louter en alleen bepaald wordt door de drie basisprincipes variatie, selectie en erfelijkheid wordt door wetenschappelijk onderzoek steeds vaker ter discussie gesteld (26). Biologisch gezien blijkt het steeds minder aannemelijk dat mensen van apen afstammen en dieren blijken eigenschappen te hebben die nutteloos zijn voor hun overleving of voortplanting, en dienen kennelijk een ander doel: schoonheid of spel. Altruïsme, onbaatzuchtigheid, blijkt minstens even belangrijk te zijn in de evolutie als egoïsme. Darwin gaat uit van de aardse pool, niet vanuit het besef dat mens en dier geestelijke wezens zijn en ook een geestelijke verbinding hebben.

Marieke de Vrij: Al het geschapene heeft iets unieks dat nooit op gelijke wijze bij anderen is terug te vinden.  

Levensmoeheid bij landbouwdieren

Marieke de Vrij: De huidige evolutie kenmerkt zich door het verlies van zingeving en het levensmoe worden van de landbouwdieren. Levensmoe worden uit zich op diverse manieren:

  • Steeds meer landbouwdieren voelen zich intuïtief/instinctief ontheemd gezien het tekort aan contact met een natuurlijk leefklimaat en een natuurlijke levensstroom.
  • Veel dieren hebben verzwakkingen aan hun hoeven en hun poten waardoor ze ongemakkelijk staan. Dat geeft de energie in het dier geen goede aarding. Ook de incarnatie-energie aardt niet goed als de poten onprettig en regelmatig pijnlijk aanvoelen.
  • Er is oogmoeheid, met name door ammonia uitstoot.
  • Veel dieren hebben een schurftachtige huid. De huidstructuur voelt vaak niet meer prettig aan, vaak eczeemachtig, schilferachtig en ruw.
  • Dieren hebben last van ingezakte ruggewervels. Een rug dient fier overeind te staan hetgeen vaak niet meer het geval is.
  • De psychologische en lichamelijke draagkracht is niet vitaal.
  • De uitscheidingsorganen van het dier lijden aan overbelasting. De darmen en de anus zijn opgerekt.
  • De maag is vaak te gevuld. Het hele spijsverteringskanaal is te uitgerekt. Veel uitwerpselen ruiken zuurder dan voorheen.  
  • Het huidweefsel is nu vaak veel dunner dan een paar eeuwen geleden. Hierdoor nemen gevoeligheden toe, maar ontstaan er ook gevoelens van allergie, irritatie en zich niet op hun gemak voelen.
  • Ze worden overbelast doordat ze te veel voedsel krijgen om gewicht te vermeerderen. Dit voedsel is vaak onvoldoende vitaliserend.
  • Bij heel veel dieren wordt het eigen bioritme verstoord. Ze kennen een eigen rustbehoefte die anders geordend is dan het ritme waarin ze nu leven.
  • Veel dieren hebben grote vermoeidheid, omdat hun huid te weinig contact met daglicht maakt. De flikkering van tl-buizen in stallen of andere ruimten maakt dat dieren veel schichtiger zijn dan hun natuurlijke aard is, ze zijn daar bijzonder gevoelig voor.
  • De groepscommunicatie tussen de dieren onderling is verstoord, omdat de dieren te dicht opeengepakt bij elkaar leven. Ze zenden telepathisch veel meer uit dan wat ze van elkaar kunnen ontvangen. Er is veel ongerichte communicatie tussen dieren. Iets wat een eeuw geleden heel anders was.
  • Grote groepen dieren voelen zich desolaat, in zichzelf gekeerd, hebben daarmee op een constructieve manier de belangstelling voor het eigen leven verloren en zijn gewoon levensmoe. Deze levensmoeheid versterkt het ontstaan van tekorten aan vitaminen, mineralen en andere elementen. Dit wordt ook door het dier zelf gecreëerd, omdat de levensmoeheid de verteringsprocessen van voedsel bemoeilijkt.

Voor de koe heeft dit tot gevolg dat het steeds lastiger wordt om haar wezensaard te herinneren en te ervaren. Bij die zelfherinnering moet ze altijd door een barrière heen van een onvrij leven, de moed hebben om over die aantastingslaag heen te stappen. Het is vergelijkbaar met mensen die verdringingsmechanismen ontwikkelen om leed van pijnlijke gebeurtenissen te onderdrukken, zodat ze daar niet continu mee in contact staan vanwege de onleefbaarheid van dat trauma. Koeien trekken zich als collectief terug uit de leedervaring, met als gevolg dat ze ‘afgestompter’ functioneren, meer dwangmatig en niet vanuit vrije wil. Als een individuele koe zich hieruit wenst los te maken blijft het risico aanwezig dat de pijnlijke ervaringen van haar soortgenoten op haar blijven rusten. Dit is vergelijkbaar met mensen die zwaar getraumatiseerd zijn, bijvoorbeeld door oorlogservaringen. Je hebt mensen die bewust iedere ervaring proberen te accepteren, die proberen het te verteren en een plek te geven, die een open gemoed houden en in contact blijven met leringsprocessen, of wat er dan ook maar gaande mag zijn vanuit de ziel. En je hebt ook mensen die direct gaan verstrakken en de leedbezwaring afdekken om gewoon gecontroleerd te kunnen blijven leven. Dit laatste is collectief bij koeien waarneembaar.

Ook ten aanzien van het hele aardebewustzijn en de leefbaarheid op aarde in relatie tot diersoorten en het mensenras handelen mensen vanuit eenzijdige belangen. Mensen ontwikkelen, op hun eigen wenskracht gebaseerd, dieren die zich aanpassen aan hun wensen en doelen waardoor ze zich inschikkelijk aan ons moeten gaan verhouden. Alleen het insectenrijk kunnen we niet afdoende bestrijden en daar gaat in de (nabije) toekomst een enorme expansiekracht vanuit aangezien we de dierenrijken onderling niet in een natuurlijke afgestemdheid hebben kunnen houden. Wat zich in het groot niet kan weren, kan zich in het klein heel snel uitzetten, omdat we als mens daar vooralsnog minder grip op hebben. Daardoor komt er een enorme onevenwichtigheid tussen de dierenrijken onderling.

Polariteit als voorwaarde voor evolutie                                                      

Marieke de Vrij: De intentie van de schepping en de kosmos is dat de evolutie middels bewustwording plaatsvindt. Onderhevig zijn aan polariteit is een voorwaarde voor evolutie. De polariteit is onlosmakelijk verbonden aan de aarde, met als gevolg dat we hier goedschiks of kwaadschiks uiteindelijk evolueren. Ieder handeling die wij verrichten, zal uiteindelijk evolutie scheppen. Teruggang in evolutie is niet mogelijk, wel stilstand. Stilstand in de evolutie houdt in dat er geen zichtbare rijping plaatsvindt van bewustwording, maar dat alles in de week staat. Wat we aan bewustwording hebben verkregen valt niet meer uit te wissen. Wanneer we dit terugplaatsen op het leven van dieren, dan is alles wat ooit geleefd is door dieren opgeslagen als bewustzijn in de kosmos, het collectieve veld. Dat wat opgeslagen is vanuit een stilstandsenergie, wat nog in de week ligt, dient op een gegeven ogenblik weer actief gemaakt te worden voor evolutie. Hoe minder wij echt willen evolueren of dieren de gelegenheid geven om zelfstandig de evolutie uit te beelden, hoe meer wij dieren in een droomleven gaan zetten, omdat er geen natuurlijke scheppingskrachten meer door hen heen mogen werken. Des te meer stilstand ontstaat er op het niveau van wezenlijke evolutie. Hoe overmoediger de mens, hoe meer hij de evolutiedrang van dieren in een stilstandsenergie houdt, waardoor de evolutie van de dieren zich niet gelijkwaardig aan die van de mens voltrekt.

Hoe meer de mens vanuit hoogmoed de rol van de kosmische schepper op zich neemt en de dieren verhindert om zichzelf te spiegelen op een natuur identieke wijze in hun evolutie, hoe meer beproevingen op zijn pad zullen komen. Planten en dieren spelen daarbij een belangrijke rol. Door planten en dieren ondergeschikt aan onszelf te maken kan het dieren- en plantenrijk zich niet meer natuurlijk ontplooien en de mensheid zijn goddelijke identiteit spiegelen. Dat leidt bij mensen tot een steeds grotere benardheid en benauwing. We worden dan in de angst van de beproevingen meegezogen. De mens mag de schepping behoeden, heeft zelfs als taak deze te beschermen, maar de mens mag geen heerser worden.

Gevolgen van klimaatverandering voor de evolutie van dieren

Klimaatverandering heeft niet alleen gevolgen voor het landschap, maar ook direct voor de dieren zelf. Het trekt een extra grote wissel op het overleven van diersoorten, omdat voldoende aanpassingstijd aan nieuwe omstandigheden ontbreekt. Als het weer warmer wordt door klimaatverandering hebben met name dieren met zware haargroei intern te maken met oververhittings- verschijnselen in hun lichaam. Zo’n snelle verandering kunnen ze niet goed doorstaan. Het recht van de sterkste beslist dan over het voortbestaan van diersoorten en -rassen die daartegen geen verweer hebben.

Vermenging van rassen op basis van natuurlijke paring is evolutionair voorbehouden. Hoe meer de mens vanuit hoogmoed de rol van de kosmische schepper op zich neemt, hoe meer beproevingen op zijn pad zullen komen.