In de Wet dieren staat de intrinsieke waarde van het dier centraal. Dit betekent dat dieren een ‘eigen waarde’ hebben, los van hun excentrieke waarde als hulpbron (eigendom, voedsel, arbeid of ecosysteemdienst) of bron van emotionele, recreatieve of spirituele bevrediging. Intrinsieke waarde wordt van binnenuit aan een dier toegekend en is niet direct meetbaar.

Dierenwelzijn gaat over de kwaliteit van het leven van dieren.                                                                                                                                                          Dieren hebben een eigenwaarde, ze zijn geen producten maar wezens met gevoel die pijn en plezier kunnen ervaren. Dat vraagt:

  • Het voorkomen dat dieren fysiek én/of psychisch pijn lijden, dat ze beschermd worden tegen misbruik;
  • Het respecteren van hun integriteit en het erkennen van de waarde van alle lichaamsdelen, inclusief de hoorns bij runderen en geiten, staarten bij varkens, snavels bij kippen en sporen bij hanen;
  • Het stimuleren van een verblijfsomgeving en leefsituatie die door de dieren als positief ervaren worden.

Erkenning van de intrinsieke waarde van dieren start met het waarnemen en beschrijven van hun specifiek diereigen gedrag, hun karakter en hun wezenskenmerken. Pas als je je eigen maakt wat een dier écht betekent, zie je zijn waarde en neem je die waarde ook zelf over.

Alle karaktereigenschappen van dieren zijn op een onderbewust niveau ook in mensen aanwezig. Mensen hebben de dieren nodig om te komen tot een diepere substantiële kennis van het eigen zelf. Dieren openen via spiegeling onbewuste lagen die mensen zelf nauwelijks herkennen.