In gesprekken over dierenwelzijn wordt vaak aangehaald dat dieren niet te vergelijken zijn met mensen, dat ze niet kunnen denken, en een ander gevoelsleven hebben. Dat er een gevaar is dat wij ze vermenselijken. De laatste jaren heeft wetenschappelijk onderzoek naar de intelligentie van dieren een grote vlucht genomen en blijkt het dat dieren een stuk slimmer zijn dan we dachten en ook een rijk emotioneel leven hebben. Dat roept de vraag op wat de wezenlijke verschillen zijn tussen mens en dier én welke overeenkomsten ze hebben.

Dierenwelzijn vanuit holistisch perspectief

Dier en mens, bezien vanuit een holistisch perspectief, zijn beiden bezielde geestelijke wezens die allesomvattend met elkaar verbonden zijn en beïnvloeden elkaar wederzijds. Holistisch betreft het geheel van lichamelijke, psychologische, sociale, emotionele en spirituele facetten van een wezen. Deze integrale benaderingswijze voegt een extra dimensie toe om beter inzicht te krijgen in wezen, leven en welzijn. Lastig hierbij is dat zielskwaliteiten en geestelijke beïnvloeding moeilijk te onderzoeken zijn via de zintuiglijke waarnemingen van de huidige wetenschap. Inzicht in het zielen- en geestelijke leven van dieren vraagt bovenzintuiglijke waarnemingen, waarnemingen die niet empirisch te onderzoeken zijn. Het betreft onze zintuigen-overstijgende vormen van onstoffelijke, paranormale, metafysische of transcendente gewaarwording. We merken dat steeds meer mensen, ook wetenschappers, daarvoor openstaan en ook zelf zoekende zijn om de geestelijke dimensie bij hun onderzoek te betrekken.

Bij mensen is het hogere IK, ook wel ons geestelijke zelf of hogere Zelf genoemd, ingedaald en verbonden met het lichaam. Bij dieren is dit IK verbonden met de groepsziel en groepsgeest als geheel, dus minder individueel bewust gericht zoals de mens dit kent en ervaart.

Verschil in individualiteitsbeleving

Marieke de Vrij heeft daarover het volgende vrijgegeven: In vergelijking met mensen die een sterke individuele ontwikkeling doorgaan hebben dieren een zwakkere individuele ontwikkeling en is de groepsverbondenheid als zielswerking juist ruimer. In de dierenwereld spiegelen de dieren elkaar en ze hebben dus ook een eigen individualiteitsbeleving, echter minder diep uitgekristalliseerd dan mensen dat hebben. De mens verkent zichzelf via het afgescheiden pad van het ‘Ik’, in lering met andere individuen. Je kan zeggen dat de mens in de dieptepsychologie heel veel gelaagdheden in zichzelf kan ontmoeten en bij het dierenleven is dat vlakker.

Wat in mijn beleving speelt is dat als je op een enkel dier afstemt, je een individueel karakter ontmoet, ondanks de grotere verbondenheid met het geheel van dieren welke meer in het ‘zijn’ ervaren wordt. De mens kan uit het ‘zijn’ stappen waardoor hij zijn individualiteit robuuster vormgeeft. Pas wanneer deze zijn ‘zijnsconstitutie’ weer voldoende machtig wordt, komt de verbinding met het geheel met andere mensen weer meer tot zijn recht. Als je met dieren, welke soort dan ook, omgaat, zie je dat ze zich ook individueel gedragen, de een is geen kopie van de ander. De groepsziel werkt dus niet zo diep door dat het individuele karakter van het dier zal vervagen. Maar er is een verschil. 

Alle diersoorten samen vormen het dierlijk leven, maar iedere diersoort heeft een eigen groepsbewustzijn.

Een dier vertoont zelfgevoel, de mens zelfbewustzijn. Het vermogen van de mens om zelfstandig te denken en te herinneren speelt daarbij een grote rol. Gebeurtenissen uit het verleden kunnen overdacht worden. Door verkregen inzichten kan de mens leren en zich bewust worden van de gevolgen van zijn daden en daar verantwoordelijkheid voor dragen. Dieren reageren instinctief en kunnen niet verantwoordelijk gesteld worden voor hun daden. De mens kan eigen keuzes maken en beschikt over moraliteit en een geweten, waarmee ethische afwegingen gemaakt kunnen worden. In tegenstelling tot dieren bezit de mens het vermogen om uit vrije wil een verplichting aan te gaan met anderen en met zichzelf.

Inspiraties uit 2024

In 2024 heeft Marieke de Vrij de volgende inspiraties doorgekregen:

  •  Dieren zijn zich bewuster van het veld van dieren waartoe zij behoren dan de mens zich met bewustzijn gedraagt tot de mensheid waartoe hij behoort.
  • Het dier is onvermijdelijk verbonden met het grotere collectieve veld van zijn diersoort en leeft in bewustzijn van dat dierenrijk. De mens daarentegen kan door zijn denkvermogen en verdrukking van gevoelsbelevingen selecteren en verliest daarmee de geheel-ervaring van zijn soort: de mensheid.
  • De inbeeldingskracht van de mens reikt ver. Hij schept scenario’s voorbij zijn realiteitservaring. Het dier echter behoeft geen inbeelding omdat zijn mogelijkheden zich verhouden tot wat hem diereigen voorkomt. Het dier beperkt zich daardoor tot wat hij door ervaringen heeft waargenomen en projecteert dit op zijn toekomst. Zijn inbeelding is enkel herinneringsgevormd.
  • Niet verwachte gebeurtenissen doen het dier, in afstemming op het grote collectieve veld van de diersoort, omzien naar eerdere gedragingen van zichzelf en de groepsleden in relatie tot wat zich nú aandient. Het dier creëert uitbeelding ten bate van het heden, wat vervolgens de toekomst in gang zet. De mens daarentegen kiest vaak om vooruit te kijken en nieuwe gedragingen te ontwikkelen. Hij rastert zijn omgang met het heden minder af naar wat het verleden hem al bracht. Hij borduurt voort op hoe hij de toekomst vorm wenst te geven.
  • De mens wenst in zijn streven menigmaal voorbij te gaan aan wat de natuur hem heeft geschonken. Hiermee wordt gezegd dat de mens zichzelf te weinig realiteitszin voorhoudt tot wat de natuur in hem nalaat, maar ook naar wat de natuur in natuurlijkheid wel of niet kan schenken. Het dier zoekt steeds weer zijn verwantschap op met wat de natuur hem brengt én ontneemt. Het dier staat dichter bij natuur verbonden leven en kan zich hier niet van afkeren.
  • Overwegingen zijn het dier vreemd. Hij schikt zich en past zich aan op basis van wat de natuur aanbiedt, zoals voedsel dat al of niet door de natuur zelf aangeboden wordt. Een dier berust in zijn lot. De mens wenst hoogmoediger zélf zaken hierin te bepalen en maakt daarbij dieren en planten onvrij om zelf hun eigen natuurlijke ontwikkeling te volgen. De natuurvoorwaarden worden daarbij menigmaal ontregelt.
  • De natuurlijke samenhang van mens en dier geeft de mogelijkheden om de verbijzondering en evolutie van elke soort, zowel dier als mens, te vergroten. Wie zich delen van de schepping toe-eigent als zijnde persoonlijk bezit, verliest hiermee vaak de potentie zijn eigen leven cruciaal te verbeteren.
  • De mens onthoudt het dier menigmaal zijn diereigen bestaansrecht, bijvoorbeeld om zijn menselijk doel te verwezenlijken. Dit doet hij, vaak onbewust, door dieren niet aan hem gelijk te stellen en ze te dwingen een ondergeschikte rol te vervullen in de schepping, ze louter te zien als gebruiks- of productiemiddel.  De mens verloochent daarmee indirect ook zijn eigen bestaansrecht. Want de uitbeelding van diereigen leven van dieren geeft hem ook veel. De mens ontneemt zichzelf die mogelijkheid van spiegeling en ontwikkeling door het dier zich aan zijn voorwaarden te laten aanpassen en vraagt daarmee een onnatuurlijke offering van het dier, ten bate van zijn eigen meerwaardebesef. Hiermee oefent de mens onrecht uit dat, indien niet gewijzigd, zijn eigen levensloop nadelig kan gaan bepalen.
  • Wanneer de kosmische samenhang tussen mens en dier onwillekeurig of bewust verbroken wordt ten bate van menseigen behoeften alleen, dan blijft er onvoldoende reserve om de diversiteit te waarborgen in het belang van ál wat leeft.
  • Dieren en mensen hebben in hun omgang met de natuur allen eigen behoeften ter overleving van de soort. Eenzijdige aanpassing en zelfs het elimineren van specifieke soorten verandert de natuur ter plekke. Immers, dieren, mensen, vegetatie en omstandigheden (zoals klimaat en waterhuishouding), verhouden zich op deze aarde tot elkaar. Die balans wordt aangetast bij bovenmatig ingrijpen. Wie zich hiervan onvoldoende bewust is, is nalatig in dat wat behoeding vraagt voor de nabije en verre toekomst.
  • De beleving van de fysieke werkelijkheid van het dier speelt het dier parten ten opzichte van diersoorten die in kunnen grijpen op zijn leven. De mens behoort daar ook toe. Gedragingen van nederigheid van dieren ten opzichte van de mens, zoals opgelopen schuwheid, inhouding van bewegingsritme, aanpassing van water- en voedselgebruik en klankvermindering, kunnen een berekenend karakter hebben om zichzelf te vrijwaren van ingrijpen ten nadele van het eigen bestaansrecht. Aanpassing van dieren aan de mens komt vaak hieruit voort, daar het dier reageert vanuit een behoefte om te overleven. Die aanpassing in de vorm van gedragingen van nederigheid wordt de diersoort die afhankelijk is van de menselijke bejegening steeds meer eigen. Dit versterkt de vervreemding van zijn natuurlijke gedrag. De mens is zich hiervan te weinig bewust, prijst het dier en moedigt daarmee zijn aanpassingsgedrag aan.
  • Overmoedigheid kan het dier op jonge leeftijd parten spelen. Bij het ouder worden past het jong zich steeds meer aan de groepsaard aan. Hij wordt een onderdeel van de groep dieren waartoe hij behoort en offert zijn natuurlijke identiteit deels op ten bate van het groepsbelang.

Zijn zelfbewustzijn plaatst hij in het bewustzijn van de groep waartoe hij behoort. Zíjn specifieke kwaliteiten vallen de groep toe en hij verhoudt zich op zijn beurt tot wat groepsleden hem aanbieden.

De mens is eigengereider, meer zelfbewust in omgang met anderen. Hij is zich minder bewust van wat anderen hem doen toekomen.

  • Het dier kan niet vanuit voorbedachte rade speelsheid acteren. Het dier is zichzelf en blijft altijd zichzelf. De mens daarentegen kan gedrag simuleren en ‘toneelspelen’.
  • Verlegenheid overvalt dieren soms op momenten dat zij niet weten hoe zich te gedragen om de groepscultuur te behagen. De mens daarentegen kent verlegenheid als opmaat naar zichzelf bekennen, dieper dan de omgeving wellicht toelaat.
  • Wanneer een dier staart, herinnert hij zich zijn meest recente ervaringen.

In zijn droomwereld reist hij af naar herinneringsvelden die al voor zijn geboorte in hem gelegd zijn.

Soorteigen beleeft hij verwantschap met het veld van dieren waartoe hij behoort.

Overlevingsstrategieën en zelfbewustzijnservaringen van de soort incarneren en spelen in op gebeurtenissen die het dier meemaakt of meegemaakt heeft.

  • En een dier borduurt dus voort op de geschiedenis van zijn soort.

De mens daarentegen is eigengereid, zelfbewust en onthecht zich vanuit zijn bewustzijn vaak van zijn mens-eigen geschiedenis.

De mensheid als collectief veld heeft weinig behoefte om te leren van de geschiedenis, van wat volkeren nalaten in hun geschiedenisdomein. Het gevolg is dat die geschiedenislessen te weinig geïnhaleerd en verinnerlijkt worden. Het dier kan zich echter niet afwenden van soorteigen gedragingen die in de loop van de tijd ontstaan zijn. In tegenstelling tot de mens degradeert hij níet het bewustzijnsveld van het collectief veld van de diersoort waartoe hij behoort.