Print dit artikel
Het jachtseizoen is geopend. Jagers trekken er weer op uit om hazen, reeën, konijnen, fazanten, herten en wilde zwijnen te schieten, onder het mom van regulering van de wildstand en het voorkomen van wildschade. Jagen is uit de taboesfeer aan het geraken en steeds meer consumenten hebben graag een stukje wild op hun bord. Een toenemend aantal jongeren en mensen uit de steden zien de jacht als een recreatieve bezigheid en een mogelijkheid om in hun eigen vleesbehoefte te voorzien. Hun legitimering is dat dieren in het wild een beter leven hebben dan dieren in de intensieve veehouderij. Wild eten is daarom verantwoord. Ontegenzeglijk hebben deze dieren een natuurlijker leven, maar rechtvaardigt dat hun afschot?

Offeringsbereidheid van dieren
Marieke de Vrij: “Dieren hebben vanouds een bepaalde mate van offerings-bereidheid naar mensen. Mensen waren zich dat bewust en gingen eervol om met dieren. Ze hadden ook bij de jacht bepaalde normen en waarden waaraan het jagen verbonden was. Oudere en zwakkere dieren werden eerder afgeschoten dan jongere dieren en jagen was toegestaan als er een overmaat aan dieren was en dat ten koste zou gaan van andere diersoorten. Maar dat was een ander type bereidheid dan wat nu aan de orde is.
Voor traditionele jagersvolken is de jacht essentieel voor hun overleving. Voor de hedendaagse jagers is dit niet meer het geval en is het verworden tot plezierjacht, een gevoelsbevrediging. De zielennood waar veel dieren momenteel in verkeren wordt aangescherpt wanneer er jacht op ze gemaakt wordt. En zelfs wanneer dieren in een bepaalde streek of gebied in groten getale (overmatig) aanwezig zijn, worden de zielenroerselen die het oproept, uitgezonden via het etherveld tot ver voorbij onze landsgrenzen. Deze hartbeklemmingen worden opgepakt door andere dieren en onder de vele dieren die niet meer levenskrachtig genoeg zijn om hun soort te handhaven, wordt daardoor nog meer angst aangemaakt. Jacht activeert angst onder dieren. Er zijn zachtere methodes om dieren te doden dan angst.
Hoewel het dier zeker een opofferende taak heeft naar de menselijke evolutie, zijn wij mensen veel te hoogmoedig geworden in het gemak waarmee wij dieren laten offeren. En dat ligt in een grotere betekenis, net zoals de aarde dieper offert dan ze wezenlijk kan offeren. We dienen werkelijk bereid zijn om samen te werken.”

Jacht als dodingswijze
Marieke de Vrij: “Het hedendaagse jagen door mensen op dieren is menigmaal een afstandelijke gebeuren, een ‘mentale’ manier van doden. Door de letterlijke ‘gevoelsmatige afstand’ van de mens tot het dier kan de ziel van het dier veel minder eenvoudig overgaan. De jager is in de regel niet (goed) zichtbaar voor het dier en zijn nabijheid is niet voelbaar. Dat creëert een extra verhoogd waakbewustzijn wanneer het dier bemerkt dat er iets gaande is. Een naderende kogel die flitssnel het dier bereikt, geeft een geheel andere gewaarwording dan wanneer een ander dier hem voelbaar als prooi aanvalt. Het dier sterft, in het geval van de jacht door mensen, direct door een schot of geleidelijk terwijl het verwond wegrent en op de vlucht is.
Het alerte waakbewustzijn dat ontstaat bij het aanvoelen dat er iets gaande is, wat geen tot weinig herkenning oproept, en de flitssnelle dood als gevolg daarvan, maakt de overgang naar het dodenrijk moeilijker. Ter vergelijking: als een dier wanneer hijzelf prooi wordt voor een ander dier een heftige schrikreactie ondergaat, raakt hij door de schrik al deels in een waas van een zachte roes, een soort ‘droomtoestand’. Daarmee komt hij in de startfase voor een uittreding en kan al deels uittreden. Tijdens de jacht waarin hijzelf prooi is, wanneer het dier rent en het aanvallende dier hem al haast fysiek aanraakt, ontvlucht de ziel al rennende, in angst, deels het lichaam terwijl het dier nog leeft.
Jagers daarentegen kunnen niet inschatten waar het dier op geestelijk niveau is wanneer het door hen, vaak geheel onverwachts, wordt gedood. Zij weten niet of dit dier deels al uit het lichaam is getreden of dat de ziel van dit dier nog geheel vastgehouden wordt in het lichaam. Dat laatste is een verzwaarde dood voor het dier. Het etherisch lichaam kan dan onnodig langer aangehecht blijven aan het stoffelijk dode lichaam via het fluïdumkoord (energetische navelstreng die het lichaam en de ziel verbonden houdt). 70 tot 80% van de dieren die doodgeschoten worden kunnen hier, kortdurend of langer aanhoudend, hinder van hebben.
Als een dier na menselijke bejaging niet in een keer doodgaat, zie je dat het met veel verkrampingen en moeite overgaat. Doorgaans doden dieren hun prooidieren efficiënter en zijn ze zelf meer bewust van wat uittreding in meer of mindere mate met het prooidier doet.”

Vleesconsumptie
Marieke de Vrij: “De verbranding die plaatsvindt door de verteringsprocessen van vlees zijn lichaam-verwarmend. Vleesconsumptie maakt de mens qua lichaamstemperatuur warmer dan noodzakelijk is. In vroegere tijden, waar bittere kou niet ongewoon was en er geen verwarmingssystemen waren, zoals in deze tijd, werd vlees vooral aangewend om het lichaam te behoeden voor bittere koude en gure weersomstandigheden waardoor de huidweefsels compacter werden, dikker van aard en weerbaarder voor extreme weersinvloeden. In culturen waar minder warmteverlies plaatsvond binnen het lichaam, omdat de temperatuurgesteldheid van het klimaat niet veel afwijkt van de lichaamstemperatuur, werd er duidelijk geen tot zeer weinig vlees geconsumeerd.
Vleesconsumptie werd altijd met een zekere eer omgeven uit respect voor het dier dat zijn lichaam naliet ter bevrediging van de behoefte van de mens. Het is zeer ongewoon voor oude culturen om te jagen op dieren zonder eerbied te betonen naar het dier zelf. Het dragen van een ketting met tanden, kiezen en botjes werd gedaan ter eerbiediging van de geest van het dier. Men had ontzag voor ieder levend schepsel.”

Inspiraties van: © Marieke de Vrij, bewerkt door Wim van Oort

Deel dit!

Deel dit bericht met geïnteresseerden