Print dit artikel
Iedere winter speelt opnieuw de discussie hoe om te gaan met grazers in grote natuurgebieden die onvoldoende voedsel tot hun beschikking hebben om de winter door te komen. Er zijn twee stromingen: het natuurlijke proces zijn gang laten gaan versus ingrijpen omdat er sprake is van dierenleed. Verhitte discussies in de strenge winter van het voorjaar 2012 hebben in natuurgebied de Oostvaardersplassen tot een nieuw beleid geleid, dat inhoudt dat de dieren als er gebrek aan voedsel is, worden afgeschoten. De vraag is wat het meest dierwaardig is: natuurlijk versterven of menselijk ingrijpen?

Inspiraties van Marieke de Vrij zeggen daarover het volgende:

Dierenliefhebbers zijn zeer begaan met dierlijk lijden. Met name de uitstoot van klanken, de waterig doorschijnende blik van lijdende dieren en het lichaam dat steeds verder in verval raakt, raakt hen diep. Om zo snel mogelijk een eind te maken aan het lijden van het dier verkiezen zij het doden van het dier boven een natuurlijk stervensproces. Wat zij vergeten, is dat dit lijden voor het dier van belang is voor het dieper ervaren van zijn natuurlijke vergankelijkheid. Wanneer er wordt ingegrepen en het dier daardoor te vroeg sterft, krijgt het zielelichaam te weinig tijd om zich los te kunnen maken van het vergankelijke lichaam van het dier. (Zie de vorige nieuwsbrief waarin uitvoerig geschreven is over het stervensproces bij dieren.)
Schrik en verbijstering helpen de ziel versneld het lichaam te verlaten, wat bij uitputting niet altijd het geval is. Afschieten kán, in situaties waarin het dier erg verzwakt is, een geoorloofde optie zijn, maar dat geldt niet in alle gevallen. Bovendien zijn er verschillen tussen diersoorten.

Samenvatting

Heckrunderen hebben bij een verzwakte gezondheid geen alerte helderheid en ervaren bij versterven nauwelijks fysiek lijden. Het doden van deze dieren is niet aan de orde. Edelherten nemen fijnzintuigelijk waar en kunnen het lijden van soortgenoten nauwelijks verwerken. In uitzonderlijke gevallen kunnen jonge dieren worden bijgevoerd en oudere verzwakte dieren die stervende zijn verlost worden uit hun lijden met een schot door het hart richting lever. De kudde konikpaarden blijft dichtbij of op de plek waar kuddedieren aan het versterven

zijn. De paarden lijden mee met het verstervingsproces. Het valt te overwegen om in het belang van de kudde stervende paarden te verlossen uit hun lijden met een schot door de borst, zodat de kudde zich weer verspreidt over andere delen van het natuurgebied.

Edelherten

Herten zijn goede ouders en dragen als ouder langdurig verantwoordelijkheid voor hun jongen. Een hert raakt vertwijfeld als de jonge dieren onvoldoende verzorgd kunnen worden. Dat raakt de moederherten nog meer dan zelf tekort komen. Ze zijn veel minder eigengereid dan andere diersoorten die zelfstandiger in het leven staan.
Als je herten uitzet in een begrensd natuurgebied zonder natuurlijke vijanden, dien je als beheerder de verantwoordelijkheid te nemen voor de toename van de populatie. Wanneer de populatie te groot wordt, is de eerste optie het vangen van de dieren en ze transporteren naar andere gebieden waar nog voldoende leefruimte is. Te denken valt aan de Waddeneilanden en aan landgoederen van particulieren. Transporten dienen plaats te vinden in wagens zonder dak en met dichte zijkanten. De lucht te kunnen blijven zien is belangrijk voor deze dieren. Transporteren mag praktisch lastig zijn, maar is wel een consequentie van het gekozen beleid.
In feite start de preventie van dit probleem bij het maken van meer doordachte keuzes ten aanzien van het uitzetten van dieren en van het aantal uit te zetten dieren. Het uitzetten van kleinere aantallen leidt minder snel tot problemen. (Zie ook het artikel Dierenrecht 2: Uiten van natuurlijke evolutiedrang.)

Als je veel dieren in een begrensd natuurgebied als de Oostvaardersplassen wilt houden, dien je als beheerder ook de verantwoordelijkheid te nemen voor de aanleg van schuilplaatsen voor jonge herten en hun moeders en voor het bijvoederen in tijden van voedseltekort. Herten zwerven van nature, ze doorkruisen grote gebieden en vergroten daarmee hun levenskansen.
Als het gebied begrensd is en ze daardoor niet kunnen zwerven, dan kun je bij langdurige voedselschaarste de herten op een beperkt aantal specifieke plaatsen aan de randen van het gebied bijvoeren, ter compensatie van het gebrek aan zwerfruimte. Verzwakte oudere dieren trekken zich eerder terug en zullen niet naar de randen gaan. Deze dieren zou je in het uiterste geval kunnen afschieten om ze uit hun lijden te verlossen.
Jonge dieren en dieren die kerngezond zijn, mogen bevoorrecht worden in overleving van de soort. Dit is een vorm van natuurlijke selectie. Jonge dieren hebben de toekomst en om die reden dien je hun overlevingskansen te bieden. Door bijvoedering hoef je minder herten af te schieten en daarmee wordt de rust in de herten- kuddes bewaard. Voor de herten in de Oostvaardersplassen is een drietal voerplekken voldoende.
Herten vertoeven bij voedseltekorten graag aan bosranden waar ze snel in en uit kunnen rennen om te halen wat van hun gading is en om vervolgens weer de luwte van het bos in te kunnen gaan. Ze hebben een soort verlegen gedrag dat maakt dat, wanneer ze zich bespied weten in open veld, ze verzekerd willen zijn van een dichtbijgelegen, ondoordringbaar territorium. Herten zijn fijngevoelige wezens die, als ze worden opgeschrikt, vliegensvlug willen wegrennen, zoals bij jacht, bejaging en verjaging. Bosgebieden die overgaan in valleien zijn de ideale leefgebieden.
Om te overwinteren hebben herten veel kreupelhout nodig met daaromheen grassen, bomen en struiken die wind tegenhouden en voldoende schuilmogelijkheden bieden. De zorg voor de aanwezigheid daarvan ligt bij de landschapsbeheerders.
Herten zijn ook afhankelijk van water. Als sloten te smal zijn vriest het water te snel dicht. Ze hebben waterpartijen nodig waarbij aan de oever altijd open water voor hen bereikbaar is. Bij bevriezing moeten natuurbeheerders tijdig wakken maken aan de oeverkant. Het vergt te veel van de poten van herten als ze langdurig op het ijs moeten staan. Ze kunnen het wel, maar niet keer op keer.

Als herten ziek worden of verzwakken, kan overwogen worden de oudere dieren uit hun lijden te verlossen, omdat ze door hun fijngevoeligheid tijdens hun stervensproces op intense wijze het lijden ervaren. Doch dit moet als een uiterste ingreep gezien worden. Als voor afschieten gekozen wordt, dan dient dit plaats te vinden met een gericht schot door het hart in de richting van de lever. Wanneer zij in de hartstreek getroffen worden, leidt dat tot een direct sterven zonder een langdurige naherinnering (zie DierenPerspectief nr. 1, Het levenseinde van een dier).
En wanneer het schot richting lever gaat, dan bevestig je als het ware nogmaals dat ze aanwezig zijn geweest op de aarde maar dat ze, als dat leven hen niet meer verder kan ondersteunen, heen kunnen gaan.

Ieder orgaan heeft een verbinding met een geestelijk aspect. De lever staat bij dieren in contact met het gedogen, het aanvaarden van het bestaan. Het is alsof de lever een soort opslagorgaan is waarin de aanvaarding van hun bestaan geworteld is. Andere organen zijn gekoppeld aan bijvoorbeeld groepsgedrag, aan herinnering aan instinctief overleven en aan paringsdrang.
Vanouds wordt aan mensen met ijzertekort al geadviseerd om veel lever te eten vanwege het hoge ijzergehalte. Een hoog ijzergehalte geeft dus niet alleen de mens levenslust maar ook dieren, waardoor het dier meer alert aanwezig is.
Het is alsof de lever bij dieren, anders dan bij mensen, in veel gevallen een goed doorbloed orgaan is, waar de aanvaarding van het leven met alle gemakken en ongemakken die daarbij horen, meer aanwezig is dan bij mensen het geval is. Bij mensen overheerst vaak het denken over hoe het allemaal zou moeten zijn, waarna men er zich dan bij neer moet leggen dat het anders is dan verwacht. Als een dier zich echt aan de naderende dood heeft overgegeven en aanvaardt dat het is zoals het is, zonder verzet tegen het sterven, dan kan er nog wel adrenaline vrijkomen die de indruk kan geven dat dat niet zo is, maar dat is schijn. Dieren ondervinden in dat proces geen hinder van gedachten, zoals bij mensen vaak het geval is.

En het is alsof de lever bij jonge en ook bij ouder wordende dieren, een neerslag in zich heeft waarin het ‘zijn met wat is’ zorgvuldiger en preciezer doorleefd is dan bij mensen mogelijk is. Daarom dient geschoten te worden vanuit hart-lever richting.

Konikpaarden

Konikpaarden zijn erg gericht op zelfstandigheid, maar genieten evenzeer van samenzijn. In het samen zijn met de andere dieren van de kudde wordt de zelfstandigheid en uniciteit van de andere zeer gerespecteerd.
Deze dieren lijden buitengewoon veel wanneer leden van hun kudde zo ziek zijn dat ze zullen sterven. En om de kudde mentaal te versterken, qua innerlijke vitaliteit, kan het een hulp zijn om het sterven te bevorderen opdat de groepsgeest zich weer actiever kan richten op zelfbehoud. Dus, naast dat ze zo zelfstandig zijn, hebben ze ook een heel sterk groeps- en kuddegevoel. Het is alsof er iets van hun groepsidentiteit mee sterft. In gebieden en klimaten waar deze dieren oorspronkelijk voorkwamen, werd het sterven binnen een groep vooral veroorzaakt door uitdroging bij gebrek aan drinkwater. Dit is voor hen een natuurlijke vorm van versneld sterven. In Nederland is er in de winter water genoeg, dus is deze mogelijkheid om op een natuurlijke manier versneld te sterven er niet. Konikpaarden kunnen dan uit hun lijden verlost worden door ze dood te schieten, rechtstreeks via de voorkant van hun borstkas.

Heckrunderen

Deze runderen komen wanneer ze verzwakken in een zwoele, dromerige sfeer terecht, waarin ze als het ware steeds verder wegzinken en menigmaal verkeren ze dan in een verijlde staat. Dat maakt dat ze deels buiten zichzelf vertoeven. En wanneer er sprake is van langdurig lichamelijk lijden, dan is hun zielelichaam deels al buiten henzelf aanwezig, waardoor de pijnbelasting van het lichaam weinig bewust ervaren wordt. Deze dieren laten versterven is een mogelijkheid die, gezien het dierenras, toegepast kan worden, zonder noemenswaardige welzijnsbelemmeringen.
Verschillen in alertheid tussen diersoorten
Heckrunderen hebben in tegenstelling tot herten geen langdurige alerte helderheid. Om die reden ervaren zij bij versterving nauwelijks fysiek lijden.
Herten daarentegen wel, die worden door hun ziek zijn zelfs alerter dan voorheen. Hun zintuigen raken buitengewoon aangescherpt, zelfs als ze niet kunnen reageren. Dat maakt dat ze sterk fijnzintuiglijk belast zijn. Door deze grote, toegenomen gevoeligheid wordt het dier erg op zichzelf teruggeworpen en kan het indrukken van buitenaf nog nauwelijks verwerken; dat kost hun heel veel moeite. Dus als een jong hertje dat stervende is zijn moeder benadert, doet de moeder haar uiterste best zorgzaam te blijven, maar dit gaat menigmaal haar krachten teboven.
Konikspaarden zijn telepathisch enorm verbonden met elkaar en maken daardoor mee hoe andere dieren van hun kudde eraan toe zijn en ze hebben daar ook werkelijk een natuurlijke begaanheid mee. Voor het konikspaard is het daarom een opluchting als ‘het bijltje valt’, omdat dit dier sociaal zeer gevoelig is en bewust is van ieders eigen identiteit en van het komende verlies van die identiteit voor de kudde.

Beheer van grote natuurgebieden

Alledrie genoemde diersoorten zijn gevoelig voor weerswisselingen en ieder soort heeft daar in de loop van de tijd zijn eigen manier van omgaan mee gekregen. Echter, binnen het hedendaagse klimaat hebben dieren veel meer moeite met de overgangen dan voorheen.
Heckrunderen: de zomers duren te lang waardoor de vacht onvoldoende ontwikkeld is om de winter mee in te gaan.
Herten: er is te weinig voedsel voorradig om de winter door te komen. Konikspaarden: de kudde blijft dichtbij of op de plek waar dieren aan het versterven zijn. Andere paarden lijden mee met het verstervingsproces. Wanneer je het sterven bespoedigt, trekt de kudde weg en verspreidt zich over andere delen van het natuurgebied.
Wanneer dieren in groten getale voorkomen op plaatsen die onvoldoende ontwikkeld zijn voor het houden van deze dieren, dan is het wijs deze dieren te transporteren naar gebieden waar voldoende ruimte is en waar het dier zich thuis voelt. Wanneer dit niet tot de mogelijkheden behoort, dan dient men het natuurlijke verloop te respecteren. Zo gaat het ook toe in gebieden elders in de wereld waar, door een teveel van bepaalde soorten, niet alle dieren krachtig genoeg zijn om te kunnen overleven.
Bron: Marieke de Vrij (november 2012)

Deel dit!

Deel dit bericht met geïnteresseerden