Print dit artikel
Eind februari 2014 presenteerde staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken) het plan om het aantal dierproeven drastisch terug te dringen. Van de 600.000 die jaarlijks worden gedaan, zijn er ongeveer 100.000 volslagen onnodig omdat ze worden gebruikt voor het testen van stoffen waarvan de giftigheid allang is aangetoond. Het gaat om testen die verplicht moeten worden uitgevoerd om de veiligheid van stoffen te onderzoeken in alledaagse producten als wc-verfrissers, snoepjes en balpennen. Voor deze testen worden niet alleen muizen, ratten en konijnen gebruikt, maar ook honden, katten en paarden. Volgens Huub Schellekens – hoogleraar medische biotechnologie en autoriteit op het gebied van dierproeven – kan dat zonder grote problemen op een andere wijze worden gedaan. Momenteel worden onnodig veel dierproeven vooral gedaan omdat producten dan het snelst worden goedgekeurd. Werk je met alternatieven, dan vraagt alleen al het onderbouwen van je keuze om geen dierproeven in te zetten heel veel tijd en loop je ook nog eens de kans om alsnog te worden gedwongen de traditionele dierproef te doen.

Het actieplan wil dat er meer onderzoek wordt gedaan naar vervangende methoden voor dierproeven. Ook moet er gekeken worden of testen op levende wezens wel de beste manier is om vast te kunnen stellen of geneesmiddelen op de markt kunnen worden gebracht. De staatssecretaris gaat ook op zoek naar manieren waardoor dieren bij de proeven minder pijn hoeven te lijden. Ze wil de teenknip bij proefmuizen gaan verbieden. Deze teenknip wordt nu gebruikt om proefmuizen met verschillende genetische modificaties te identificeren en uit elkaar te houden. Een eerste stapje in de goede richting, maar er is nog veel meer te doen!

Het effect van dierproeven op het wezen van proefdieren

Al in 2001 heeft Marieke de Vrij uitgebreid stilgestaan bij proefdieren in relatie tot dierenwelzijn. Door dierproeven worden dieren in zekere zin gevoelloos gemaakt voor contact met hun diepere wezen. Door onnauwkeurige handelingen krijgen dieren een desastreus zelfbeeld, een gevoel alsof er van binnen iets gestorven is; er blijft alleen nog maar een vluchtige herinnering over aan een eerder bestaan (van de soort) en het dier ervaart een heel diep gevoel van nutteloosheid. Doordat het collectief veld wordt aangetast, is er geen gezond beeld meer actief van hoe een dier normaliter zou kunnen leven, een beeld waarmee ze zich kunnen identificeren. Dat maakt dat dieren neerslachtig en uiterst depressief worden.

Alle dieren in gevangenschap ervaren een vorm van lijden. Bij proefdieren waarmee geëxperimenteerd wordt, is dat nog veel intenser. Aan de hand van drie soorten proefdieren: muizen, ratten en konijnen, gaan we daar nader op in.

Wezenskenmerken van muizen

Een muis is zachtaardig, nieuwsgierig, sterk georiënteerd op zijn omgeving en doortrokken van zijn eigenwaarde. Het dier is heel beweeglijk, maakt hele snelle pasjes en bochtjes, al naar gelang van wat er in de omgeving mogelijk kan gebeuren. Een muis is een snelle graver en is zich van te voren veelal bewust van het resultaat dat hij wil bereiken. Het dier is sterk gericht op lijfsbehoud en beweegt zich dan ook zo geruisloos en onopvallend mogelijk. De muis kijkt heel gericht en heeft een sterke drang om te speuren. Hij is reuk- en snuffelgevoelig. Met zijn sensitieve snorharen bepaalt hij zijn richting en verkent hij zijn omgeving. Hij is alert, op een nieuwsgierige en nerveuze manier, en lijdt daar zelf – haast trillend – ook onder. De muis wil verder kijken dan zijn beperkte wereld en wil nieuwe horizonnen ontdekken en verkennen. Hij is geurgevoelig en sterk overprikkeld sensitief; bepaalde geuren trekken hem aan en andere stoten hem af. De muis durft ook risico’s te nemen, zelfs als dat gevaar oplevert. Het is een dier dat zich plotseling kan omkeren, bijvoorbeeld bij ritselende geluiden. Daarnaast kan hij zich letterlijk muisstil houden. Sensorisch staat hij naar alle kanten open, waardoor veel dingen zijn aandacht bereiken en hij zich laat verleiden om deze van nabij te verkennen. Zijn reuk- en gezichtsvermogen zijn sterk ontwikkeld. Het gehoor is scherp, maar dat kan hij selectief gebruiken. Bekende geluiden kan hij als minder belangrijk op de achtergrond houden, maar hij is zeer alert op afwijkende geluiden, omdat deze risicovol kunnen zijn. Zulke geluiden kan hij sterk sensorisch vergroten. Hij heeft een beweeglijk rap lijf en het gebied bij de neus en de neusgaten is zeer gevoelig. En als hij eet is het alsof zijn bekje op een malende wijze voedsel tot zich neemt.

Wat heeft de muis ons te zeggen?

Wat herkennen wij in onszelf van wat wij gespiegeld zien in de muis?

  • Allereerst ‘snuffelgraagte’: zoeken voorbij de tastbare herkenning van debestemming. M.a.w. je kijkt verder dan wat je al weet, waartoe je bestemd bent; je reikt verder uit naar datgene waarop je nog geen zicht hebt.
  • Afstemming op risicovolle zaken en een plan maken om die te tackelen.
  • Slimmigheid: onopvallend voor anderen aanwezig zijn, maar met gespitste oren alles registreren.
  • Het eigen leven centraal stellen, ookbinnen de behoefte die er in je omgeving bestaat, waardoor je onopvallend, en tegelijkertijd toch ook succesvol, terechtkomt op de plek waar je wilt zijn.
  • ‘Contactloosheid’ t.a.v. de omgeving, om onopvallend datgene te doen waar je je toe geroepen voelt, zonder op eer of roem van buiten uit te zijn. Daarmee slechts jezelf bevestigend.
  • Wispelturigheid: er moeite mee hebben om zich vergevingsgezind op te stellen naar anderen die kritiek geuit hebben op je eigenheid.
  • Goede sier maken met je eigen bekwaamheid. En als dat onvoldoende wordt gewaardeerd, daar last van hebben, dus: bijval van de ander verwachten, maar wel moeite hebben met kritische kanttekeningen.
  • Instinctmatig sterk op voortplanting gericht zijn, ook uit behoud van de soort. Muizen zijn niet gehecht aan hun nageslacht, zoals dat bij andere dieren soms langdurig wel het geval is. In het begin, als hun jongen net geboren zijn, zijn ze wel bewogen en betrokken, maar jonge muizen gedragen zich al snel zelfstandig, waardoor ze de eigen overlevingsstrategie centraal gaan stellen.

Je kan het vergelijken met oorlogssituaties, waarin ieder mens toch meer voor zichzelf kiest dan voor het geheel. Althans, grote collectieve groepen mensen doen dat uiteindelijk in situaties waarbij ieder moment iets kan gebeuren. Zo is de wijze waarop jonge muizen opgroeien sterk afhankelijk van hoe de situatie buiten het nest is. In een veilige omgeving is er sprake van een grotere familieband, terwijl in onveilige omstandigheden de jongen al snel aan hun lot worden overgelaten. Muizen zijn ook heel intellectuele dieren, dat kan je opmaken uit de manier waarop ze inschattingen maken.

Wat betekent het proefdierschap voor de muis?

  • Muizen vervelen zich als proefdier enorm, want ze kunnen slechts steeds herhalen wat ze al weten en dat geeft hun een bekrompen gevoel en bevredigt hun nieuwsgierige aard niet.
  • Organen zetten op en zwellen gedurende de proefperiodes.
  • Het verlamd stilzitten terwijl er geen gevaar is, is voor het dier een onnatuurlijk gegeven.
  • Ze gaan op hun eigen staart bijten en hun pootjes krommen zich vanuit een angstgevoel dat ze niet de baas kunnen worden.
  • Het keelgebied is gezwollen, deels door angst en deels door de consumptie van stoffen die oneigen voor hen zijn.
  • Vermoeidheid van de rug treedt op, want in het normale leven vormen de ruggenwervels van het dier een spanningsboog om zich snel te kunnen terugtrekken en bepaalde bewegingen te kunnen maken en om zich heel behendig alle kanten op te kunnen keren.
  • Luistervermoeidheid treedt op, omdat luisteren geen zin heeft. Er kan namelijk geen actie worden ondernomen op wat er gehoord wordt.
  • De opsluiting maakt dat het dier zich sterker een eenling voelt dan in de vrije natuur het geval zou zijn. Zelfs wanneer meerdere muizen zich proefdierondervindelijk in één ruimte bevinden, dan nog voelt het dier zich geïsoleerd omdat in deze onnatuurlijk nagebootste leefomgeving de sociale contactvorming weinig spontaan verloopt.
  • Dagvermoeidheid treedt op door de lichtfrequenties waarbinnen de kooien staan. Die veroorzaken een soort flakkering in hun ogen, die hun natuurlijke manier van kijken negatief beïnvloedt. Natuurlijk licht is veel afwisselender.
  • Hun zicht gaat achteruit omdat de eentonige lichtfrequentie hen moe maakt en omdat hun natuurlijke nieuwsgierigheid niet geprikkeld wordt.
  • Ze zijn ‘frequentiemoe’ van steeds maar hetzelfde aangereikt te krijgen.
  • Hun behoefte aan schuilen, wat een kenmerk van dit dier is, wordt ondergraven omdat het materiaal dat ze daarvoor moeten gebruiken hun geen behaaglijk gevoel geeft; het schuurt vaak stroef langs de huid en het biedt hun geen veiligheid.
  • Voor zwangere muizen is de dracht in gevangenschap veel vermoeiender dan in de vrije natuur, waar ze vaak hun buik kunnen schuren en volop kunnen bewegen, waardoor er veel meer flexibiliteit in de buikmassa is en ze minder last van stramheid hebben en een betere doorbloeding. Hierdoor komt de bevalling gemakkelijker op gang en is deze bovendien met minder angst omgeven. Doordat hun leefruimte beperkt is en ze de schuringsbehoefte van hun buik onvoldoende kunnen bevredigen en ze te weinig flexibel kunnen blijven tijdens de dracht, is de bevalling verre van aangenaam.

Muizen zijn dus zachtaardige dieren, spitsvondig in dat wat ze willen onderzoeken. Snuffelgraag maar ook kruipgraag; ze houden van nauwe doorgangen; die geven hun een gevoel van veiligheid. Muizen willen niet betrapt worden, maar vaak hebben ze wel dat gevoel. Ze hebben een sterk reukvermogen en laten zich verleiden om op een onbezonnen manier te onderzoeken wat zo lekker ruikt.

Muizen willen telkens weer nieuwe dingen ontdekken. Ze zijn heel nieuwsgierig en gaan ver van hun nest op onderzoek uit. Ze hebben een voorsprong op het menselijke ras omdat ze ongeconditioneerder op verkenning uit gaan in risicovolle gebieden teneinde nieuwe inzichten op te doen, hiertoe aangedreven door hun grote nieuwsgierigheid. Ze zijn bereid om daarvoor risico’s te nemen. Wij mensen zijn geconditioneerder, willen alles op voorhand zeker weten. Voor een deel putten muizen uit een intuïtief weten welke route zij het beste kunnen nemen, maar daarna gaan ze verder dan de omgeving die ze kennen, waarmee ze puur intuïtief risico’s nemen. Hun leefwijze wordt voor een belangrijk deel bepaald door hun sterke onderzoeksdrang.

Wezenskenmerken van kleine ratten

Het onderstaande heeft betrekking op kleine ratten die als proefdieren gebruikt worden. Marieke de Vrij: “Een kleine rat is ‘veellustig’ en sterk georiënteerd op zijn omgeving. Verder ‘richtingbezet’, m.a.w. als hij iets in zijn hoofd heeft, is hij er niet van af te brengen. De rat is georiënteerd op overlevingsbehoeften, wat maakt dat hij zich heel precies richt op dat wat bekend is en waarnaar hij weer terug kan keren, zij het soms met een naargeestig gevoel vanwege het opnieuw betreden van de oude paden. Hij voelt zich sterk overgeleverd aan de natuurlijke zaken waarmee hij in het leven te maken heeft, zoals de weersgesteldheden en verblijfsomgeving, met name wat er op de grond groeit en de materialen die er liggen. In tegenstelling tot een muis kost het hem moeite blijvend zijn natuurlijke levensstroom te volgen, omdat hij zich tussentijds laat afremmen door datgene waarmee het leven hem overvalt. Zo kan een rat overstuur raken als het 3 dagen striemend regent en, wanneer hij geen voedsel kan vinden, wordt hij meteen depressief. Dan moet er van binnenuit iets in hem gebeuren waardoor hij weer een duwtje krijgt om toch in beweging te komen, zoals bijvoorbeeld een sterk hongerig gevoel. Er is weinig nieuwsgierigheidsdrang in het dier. ‘Veellustig’ betekent dat de aanraakbaarheidsfactor heel groot is. Hij kan bij wijze van spreken kronkelen van genoegen. Het is een uitzonderlijk zinnenstrelend dier. Hij geniet ervan wanneer het zonlicht warm-strelend is en het geeft hem een behaaglijk gevoel als hij tegen een ander dier aan kan schuren of als de ondergrond zo rul is dat hij zich in kan graven. Dat is ‘veellustigheid’; het moet dus lekker voelen. Hij is vooral gericht op het willen doorgronden van de omgeving. Het doet hem ook plezier om dingen steeds te herhalen, daardoor krijgt hij een steeds dieper geworteld gevoel dat het hem goed afgaat. Een rat geniet van het dartelen van zijn nageslacht om hem heen. Hij is in letterlijke zin wat kortzichtiger van aard dan de muis, die verder weg kijkt. Hij verveelt zich graag en schept daar genoegen in, in het moment zelf. Herhaling is voor een rat gewoontegedrag dat hem goed doet, hij ontleent er identiteit aan. Vanuit menselijk oogpunt gezien zou dat verveling zijn. Ratten zijn intelligent op het gebied van dat wat bekend is. Door de herhaling herbeleeft hij zaken, waarvan hij als het ware symbolisch ‘de smaak beter kan proeven’.

De rat is ‘veellustig’ op het gebied waarin de eenkennigheid tot zijn recht komt en waardoor hij zichzelf meer verbonden voelt met de aard van de dingen die zich om hem heen bevinden. Die verbondenheid geeft hem een bijzonder gelukzalig gevoel en het bekende kan nooit bekend genoeg voor hem zijn. Dus hij gaat steeds dieper in die doorwerking van dat wat hem behaagt. Daar komt een behoorlijk grote vruchtbaarheid uit voort, in letterlijke en figuurlijke zin.

Het is een dier dat vooral grondgericht leeft – hij zal niet gauw naar boven, naar de lucht kijken – en dat intensief contact maakt met alle ingrediënten die de aarde hem te bieden heeft.

Wat spiegelen ratten de mens?

    • Het eigen maken van datgene wat al gekend is, maar diepere verkenning behoeft om het meer eigen te maken en beter te doorleven, vraagt om in herhaling aandacht schenken aan dat wat je al weet. Het versterken van goed gedrag in jezelf door de herhaling van herinneringen van dat wat je eerder al goed hebt gedaan.
    • Zelfgericht aannemen wat aanwezig is, ter versterking van het behagen van jezelf, waardoor er in het algemeen een meer behaaglijke en aangenamere sfeer ontstaat.
    • Zachtmoedigheid ontwikkelen en je daar moedig in scholen, ook al lijkt het je in aanvang te vervelen. Gewone dingen blijken minder gewoon te zijn. Het spreekwoord: ‘Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd’, slaat daarop.

Wat gebeurt er met de ratten als proefdier?

De ontvankelijkheid voor hun omgeving neemt af omdat ze niet meer in staat gesteld worden om hun behoefte aan herhaald diepgravend onderzoek te bevredigen. Ze hebben in hun kooien te maken met dode materialen die niet stimulerend zijn voor een sprankelende levenslust. Deze materie biedt hun onvoldoende uitdaging om te onderzoeken en de essentie te doorgronden. Het rond te moeten lopen in alleen maar droog strooisel is een totaal andere beleving dan de mogelijkheden die natuurlijke, gevarieerde vegetatie hun biedt. En in een plastic rad rondjes draaien, is een heel andere ervaring dan op je pad steeds weer ‘variatie’ tegenkomen. Het als proefdier te worden gebruikt, maakt hen angstiger dan ze van nature zijn. Door de injecties die ze krijgen, ontstaan – anders dan bij muizen – snel pijnlijke plekken in hun lijf. Op de plekken waar ze geprikt worden, met name in het buikgebied, vindt energetisch geen volledig herstel meer plaats.
Ratten in kooien vertonen ook ander onnatuurlijk gedrag. Ze trekken hun schouders op, zodanig dat het hoofdje daar meer tussen gaat zitten, en verkrampen daardoor in schouder, nek en hoofd. Ze zetten zich schrap met de pootjes strak naar voren, als in een soort verweer. Het laatste gedeelte van de dikke darm is heel kwetsbaar als gevolg van een schrikachtig ingehouden krampgevoel, waardoor poepen pijnlijk is. Hun nekharen rijzen wanneer ze intuïtief aanvoelen dat er weer iets ten nadele van hen gaat gebeuren. Afgrijzen ervaren ze direct; angst werkt door in alle organen.
De dieren zijn collectief bezig met het verleggen van de grenzen van hun angst, maar dat is een heel moeizaam proces omdat ze moed dienen te creëren op basis van volhoudingsgedrag. Dat is een heel ander type moed dan de moed die van hen gevraagd wordt in hun normale, natuurlijke leefsituatie. Ze bouwen moed op terwijl een deel van hun lichaamsreflexen zich in een totale vorm van schrik bevindt. Dus het vraagt veel meer van het lichaam dat hieraan eigenlijk niet toe wil geven en dat is heel verscheurend voor het innerlijk van het dier. Zijn innerlijke behoefte is namelijk om op speelse, nauwkeurige wijze in herhaling te beleven wat hem belangrijk lijkt.
Doordat pasgeboren ratten heel vroeg weggehaald worden bij het moederdier dringt hun identiteitscrisis steeds dieper door in het collectief veld van hun ras en beïnvloedt het ook de vrij in de natuur levende ratten en de door kinderen als huisdier gehouden ratten. In het hele collectief veld is dit thema gaande. Er is geen groep dieren van een ras dat geïsoleerd leeft; ze zijn allemaal verbonden met het collectief veld van hetzelfde ras, met de soortgenoten die elders leven. Ook alle ratjes die door kinderen thuis gehouden worden, zijn verbonden met de ratten die gewoon in de vrije natuur leven.

Wezenskenmerken van konijnen

Konijnen zijn van nature levenslustig en speels en gaan voorbij aan ongemakken die ze ervaren. Ze houden van de natuur, zijn nieuwsgierig, bewonderend en leven in verbintenis met alles om hen heen, ook met de luchtgesteldheid. Het dier voelt zich prettig bij een warme zwoele wind en kan dan helemaal uit zijn dak gaan. Hij is vriendelijk en gemoedelijk in het accepteren van reeds bestaand leiderschap. Het is geen dier dat een bepaalde hiërarchische stroming opzoekt, maar wanneer daar wel sprake van is, kan het daar gemoedelijk mee omgaan. Konijnen zijn op zichzelf gericht, maar ook met elkaar begaan. De dieren verwijzen ook vaak naar elkaar en via hun telepathische communicatiestromen houden ze ook rekening met elkaar. Ze kijken graag naar elkaar, zonder nare gevoelens van concurrentie. Ze zijn leergierig en staan open voor ervaringen van andere konijnen en voelen zich ook uitgenodigd om mee te doen aan nieuwe uitdagingen. Ze zijn op een zachte manier betrokken bij elkaar. Als het slecht gaat met dieren in hun groep, dan kunnen ze daar soms heel moeilijk mee overweg, alsof de rouwverwerking van een konijn een poosje duurt. Het is ook alsof ze elkaar, als er moeilijke dingen gaande zijn, bij wijze van spreken toespreken, willen bemoedigen en aandacht geven. Het is een dier dat zich betrokken voelt bij zijn nageslacht en dat veel nageslacht creëert, alsof ze weet hebben van familielijnen. Er is onderling dus sprake van een bemoedigende onderstroom en ze willen in betrekking tot elkaar leren, hebben plezier in het contact met de natuur en kunnen prettige ervaringen – zoals bijvoorbeeld een windvlaag die een ander konijn nog niet voelt – telepathisch doorgeven. Ze trekken van nature op een zorgvuldige manier met elkaar op, mits de hiërarchie bepaald is.

Een konijn is territoriumgebonden en heeft een ‘doorgravende’ persoonlijkheid. Het is een dier dat zich gemakkelijk kan bewegen in onderaardse holen en gangen; een dier dat behoefte heeft aan veel daglicht en dat zich graag beweegt op een afwisselende ondergrond, waarin hij – deels zich verschuilend, deels onderzoekend – zijn gang kan gaan vanuit overlevingsperspectief. Het overlevingsprincipe komt bij dieren, anders dan bij mensen het geval is, heel vaak voor.

Myxomathose, konijnenziekte

Konijnen hebben regelmatig last van Myxomathose, in de volksmond konijnenziekte genoemd. De ziekte wordt veroorzaakt door een pokkenvirus. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd het virus met opzet geïntroduceerd in Australië, waar de vanuit Europa ingevoerde konijnen een plaag vormden bij gebrek aan natuurlijke vijanden. Het virus heeft zich vanuit Australië naar Europa verspreid. Het leidde tot een sterfte van meer dan 90% van het konijnenbestand. Het ziektebeeld kenmerkt zich aanvankelijk door rood- omrande, maar nog geen tranende ogen. In een later stadium gaan de ogen uitpuilen en krijgen ze een glazige blik, alsof het traanvocht veel draderiger en dikker wordt. De ziekte ondermijnt ook zijn snuffelgevoeligheid – een soort kriebeligheid en niesgevoeligheid in het neusgebied – waardoor hij ongedurig en onrustig wordt. Bovendien ontstaat er in het hoofd van het konijn een bepaalde ruisgevoeligheid: een ruis in het gehoor dat verstorend inwerkt op het instinctieve oriëntatievermogen, in zijn afstemming tot zijn omgeving. Het is alsof de beperking die daardoor plaatsvindt, vanaf de mond tot aan de achterkant van de hersenen, een druk veroorzaakt die hem bewust maakt van een niet goed functionerend hoofd. Het is enigszins vergelijkbaar met een ernstige voorhoofdsholteontsteking bij mensen. De ziekte werkt verder door naar de buik die meer gaat hangen en veroorzaakt onpasselijkheid in het maag- darmgebied, waardoor de dieren steeds voorzichtiger gaan lopen. Hun zicht gaat achteruit en uiteindelijk worden ze blind. Het is een ziekte die het hele gestel sterk aantast en die ook het nageslacht niet ongemoeid laat. Het ras is collectief aan het verzwakken. Zieke konijnen worden vaak al aangepikt door vogels voordat ze dood zijn. Dit alles houdt ook in dat een groot deel van het collectief veld van konijnen oververmoeid is. Voor herstel van het hele collectief veld zijn grote aantallen gezonde konijnen nodig, zodat in het collectief veld de herinnering sterker wordt aan wat een gezond konijn is.

Konijnen als proefdier

Van de genoemde proefdieren hebben konijnen in laboratoria het allerbelabberste gevoel . Het dier heeft van nature namelijk een blij gemoed, springt en huppelt graag, en leeft in afstemming met alles wat er in de vrije natuur om hem heen aanwezig is. Dat alles wordt hem als proefdier afgenomen. Als gevolg daarvan liggen de darmen verstrakt en dicht op elkaar gepropt, zijn ze te vol en is er te weinig doorstroming. Bij een gezonde darmwerking is er een bepaalde doorlaatbaarheid van de darmen naar het omliggende weefsel en bij deze proefdieren lijken de darmen haast gekluisterd te liggen en spastisch over elkaar heen gevouwen. De zware depressiviteit van het konijn is alleen al af te lezen aan hoe zijn darmen eruitzien.
De neusvleugels van konijnen zijn sensitief en bewegen zich snel, alsof ze de angst ruiken. Ook hun tenen zijn uiterst sensitief en pijnlijk gevoelig.Tijdens het onderzoek worden ze stevig vastgepakt, waardoor er bij hen als het ware angstzweet uitbreekt. Er is heel veel matheid in het gebied van het onderste chakra, het stuitbeenchakra (een chakra is een energetisch centrum aangehecht aan het stoffelijk lichaam wat het lichaam van vitale kosmische energie voorziet), maar ook in het heiligbeenchakra dat zich ter hoogte van de onderste lendenwervels bevindt. Het is alsof de pootjes strammer worden, alsof de angst zich in de pootjes vastzet, met loggere bewegingen als gevolg.
Van de belangrijkste proefdieren is het konijn het minst veerkrachtig.
De rat heeft in zijn zachtmoedigheid moed, ook in herhaling van hetzelfde patroon, en is zelfs in gevangenschap onderzoekend of er wellicht nog bijzonderheden te ontdekken vallen.
De muis is zo nieuwsgierig van aard dat hij een hele sterke onderzoeksdrift heeft, die verder gaat dan wat hij kan zien.
Een konijn kent geen nieuwsgierigheid en heeft niets te leren van dat wat hij al meegemaakt heeft. Daardoor wordt hij, zonder zijn natuurlijk territorium, op een heel naargeestige manier op zichzelf teruggeworpen.”

De gevolgen voor de mensheid van het leed dat de mensen de dieren aandoen
Marieke de Vrij: “Ik kan er in het algemeen over zeggen dat die gevolgen heel groot en onomkeerbaar zullen zijn, als wij niet beter voor onze dieren gaan zorgen. Wij zijn alle grenzen van de offervaardigheid van dieren aan het overschrijden. Als er niet snel een ommekeer komt, zal het leed van dieren ons zwaar treffen, omdat wij zullen gaan lijden aan ziekten die nu alleen nog maar bij dieren voorkomen.”

Inspiraties van Marieke de Vrij (Maatschappelijk Raadsvrouw Stichting De Vrije Mare) – Mei 2001.
Bewerkt door Wim van Oort (Ambassadeur Dierenwelzijn, Stichting De Vrije Mare) – Maart 2014.

Deel dit!

Deel dit bericht met geïnteresseerden