Print dit artikel

Het uiten van natuurlijke evolutiedrang

Evolutiedrang komt voort uit het behoud van de soort. Een dier past zich aan aan klimaat- en omgevingswisselingen en tracht zijn soort naar stabiliteit toe te bewegen binnen veranderende omstandigheden. In die overgangsfasen past de diersoort zich aan door bijvoorbeeld vermindering of vermeerdering van de haargroei, snavels die krommer of scherper worden of qua vorm veranderen, verandering van de oogstand en voetzoolveranderingen. Maar ook het al of niet leerachtig zijn van de huidstructuren, met name de huidplooien, zijn veel voorkomende veranderingen die evolutionair kunnen plaatsvinden binnen een soort.

Wanneer dieren belemmerd worden om zich evolutionair te ontwikkelen komt de stabiliteit van de soort in het gedrang. Sterker nog, momenteel worden diersoorten vaak vanuit economische en commerciële afwegingen aangepast aan de behoeften van de mens, zonder rekening te houden met hun omgevingsbehoeften. Vroeger wisten boeren precies welke rassen het best aangepast waren aan de natuurlijke omstandigheden van hun eigen regio. Tegenwoordig worden de omstandigheden aangepast aan hoog productieve rassen (voor zover mogelijk) en worden oorspronkelijke rassen, die aangepast waren aan regionale omstandigheden, met uitsterven bedreigd.

Snelle klimaatswisselingen en -veranderingen hebben niet alleen gevolgen voor diersoorten, maar ook voor landschapsveranderingen. Dat trekt een extra grote wissel op de overleving van diersoorten en dat maakt dat voldoende aanpassingstijd aan nieuwe omstandigheden soms ontbreekt. Als het weer warmer wordt hebben met name dieren met zware haargroei intern te maken met oververhittingsverschijnselen in hun lichaam. Zo’n snelle verandering kunnen ze niet goed doorstaan. Bij areaalverkleining, iets wat wereldwijd gaande is, heeft dat vooral invloed op de grotere diersoorten. Het recht van de sterkste zet het voortbestaan van diersoorten die daartoe geen verweer hebben onder druk. Bij uitsterving van soorten heb je menigmaal te maken met de bovengenoemde kenmerken: commercialisering, landschapsverandering en klimaatsverandering.

De mens belemmert de natuurlijke evolutiedrang van dieren door wezenlijke veranderingen te bewerkstelligen. De meest vergaande wijzen daarbij zijn genetische manipulatie en klonen. Als medeschepsel is het niet aan de mens om raseigenschappen te beïnvloeden. Op het moment dat wij mensen de ontwikkeling van diersoorten gaan bepalen is er geen sprake meer van een evolutionair proces.

Dat geldt ook voor huisdieren, honden en katten, die doorgefokt worden op uiterlijk. Daarbij gaat het vooral over fokken op schoonheidsprincipes gebaseerd op uiterlijke kenmerken en niet op basis van wezenlijke innerlijke kenmerken van het dier.

Ieder mens heeft een verborgen onbewust oer-weten dat zijn geestelijke uiterlijke verschijning na zijn overlijden in de onstoffelijke wereld een prachtige uitstraling aanneemt, in het geval dat in het aards stoffelijke leven men getracht heeft zich in zuiverheid en vanuit goede intentie te tonen. Die zuivere geestelijke doorschijning (die ook voor de incarnatie al aanwezig is) kan menselijkerwijs niet op eenzelfde wijze hier op aarde getoond worden. Daarom is het onszelf verfraaien en kijken naar schoonheid, een gesublimeerde vorm van verlangen, vanuit oer-heimwee ingegeven, naar wie we in wezen zijn.

Dat is op eenzelfde wijze ook terug te vinden in onze omgang met dieren. We hebben te weinig oog voor wat ze geestelijk uitbeelden in hun natuurlijke innerlijke staat van zijn. Daar verhouden wij ons te weinig toe. Er is wel een diep weten van binnen dat ze iets bijzonders in zich hebben. Daar maken wij gebruik van, maar naar de maat van wat wij uiterlijk aantrekkelijk achten. Bijvoorbeeld als wij zien dat ze een melkgift hebben, dan vinden wij dat zo aantrekkelijk dat we dat gaan overbelichten. Als we zien dat ze een mooie huid hebben, dan willen we die voor de leerlooierijen hebben. Dus wat we doen is onszelf verrijken met hun beeld, door diersoorten te fokken die voldoen aan onze productbehoeften (bijvoorbeeld dikbilkoeien en plofkippen) en schoonheidsidealen (bijvoorbeeld nertsen). Hun eigenschappen eigenen we toe, vaak vanuit hebzucht ingegeven en met weinig inleven en medeleven naar deze dieren toe en zonder rekening te houden met hun natuurlijke evolutiedrang. Bron: Marieke de Vrij – november 2012

Deel dit!

Deel dit bericht met geïnteresseerden